Hardleers

Het gebeurt heel snel. Eerst die man die de weg vraagt en dan de schrik. Hardhandig wordt hij op de laadvloer gegooid.

‘Stil jij’, grauwt een zware mannenstem, ‘geen kik…’

Hij voelt een knie stevig in zijn zij, handen die ruw zijn polsen bij elkaar binden. In een reflex krimpt hij ineen.

Een moment is het stil. Dan hoort hij de man opstaan en de achterklep openen. Even denkt hij de omtrek van een vrouw te zien in het felle zonlicht, dan is het met een harde knal weer donker om hem heen. Voetstappen. Een portier dat opengaat. Weer dichtslaat. De motor start. Met een schok zet het busje zich in beweging.

Voorzichtig tilt hij zijn hoofd iets op. IJzeren gereedschapskisten, houten balken, metalen platen. Het ruikt naar pas gezaagd hout en kruipolie, naar de schuur van opa. Hij wil opstaan, weg hier.

Tranen wellen op in zijn ogen. In gedachten staat ze voor hem. Haar vinger waarschuwend omhoog. Nooit met vreemden praten, hoor je mij. Nooit!

Het busje trekt op, remt, trekt weer op. Bij elke bocht stoot zijn hoofd tegen de wand. Losliggende spullen botsen tegen zijn lijf. Zijn handen raken iets scherps. Au! Dan voelt hij het stukje hout dat aan het scherpe ding vast zit. Hij pakt het vast. Een schroevendraaier! Hij verbijt de pijn in zijn armen en geknevelde polsen en wurmt de schroevendraaier snel onder de strakke taille van zijn vale spijkerbroek.

Als het busje stopt, hoort hij voetstappen, krakend in het grind. Rammelende sleutels. Dan gepiep van ijzer tegen ijzer. Weer die voetstappen. Hij knijpt zijn ogen dicht tegen het daglicht. Tegen de man. Hij voelt hem het busje binnen klimmen. Twee sterke handen zetten hem moeiteloos op zijn voeten.

‘Kom op. Naar buiten jij.’ De man gaat hem voor, springt moeiteloos uit de laadbak de straat op. Angstig, voetje voor voetje, schuifelt hij naar de rand. Daar blijft hij staan en kijkt naar beneden. Voorzichtig gaat hij zitten. Even laat hij zijn voeten boven de grond bungelen, dan kijkt hij naar het ongeduldige gezicht van zijn belager en springt ook hij de laatste 40 centimeter naar beneden.

Gelijk weer die stevige hand in zijn nek. ‘Geen fratsen, ik waarschuw je. Naar binnen jij, de garage in.’ In de verte hoort hij een auto. De man hoort het ook. ‘Doorlopen!’ snauwt hij. ‘Daar, ga daar maar zitten.’ Met zijn ene hand wijst hij op een stoel, met de ander trekt hij met één ruk de gammele garagedeur achter zich dicht.

Een klein, eenzaam peertje verlicht de bijna kale ruimte.

De man pakt een stoel, zet deze tegenover hem en gaat zitten, armen robuust over elkaar. ‘Vertel. Waarom ben je hier, denk je?’

Door zijn tranen heen kijkt hij hem aan. Eén bonk spieren die zonder overgang doorlopen in een kaal en kwaad gezicht. Zachtjes schudt hij zijn hoofd van links naar rechts.

‘Wat zeg je? Ik hoor je niet.’

‘Ik… ik weet het niet, meneer.’

‘Nee? Denk na, onnozele hals…’ Zijn ogen worden donkere gaten, zijn mond trekt samen. ‘Ze zei het al. Dat je niet zo slim was.’ Hij rommelt in een doos naast zich en haalt er een dik, stevig touw uit. ‘Dan moet ik het je maar op de harde manier duidelijk maken.’ Langzaam staat hij op en komt dichterbij.

Hij deinst met grote, bange ogen achteruit in zijn stoel, de schroevendraaier prikt hard door zijn onderbroek in zijn billen.

‘Jij bent te lief.’

Niet-begrijpend kijkt hij de dreigende man aan.

‘Te goed van vertrouwen. En dat is niet goed, voor een jochie van jouw leeftijd. Nee, jongens van jouw leeftijd moeten van zich afbijten! Vechten! Wegrennen, desnoods.’

‘Ik… ik…’ Hij stottert, weet niet wat hij moet zeggen.

‘Sta op!’ Zijn handen maken een knoop in het touw. Met de lus in zijn hand komt hij voor hem staan. ‘Sta op, zei ik toch!’ Hij geeft hem een harde klap, recht in zijn gezicht.

Hij staat zó snel op dat de houten stoel met veel lawaai achter hem op de grond klettert. Hij voelt iets nats en warms langs zijn trillende benen omlaag sijpelen. De strop wordt om zijn smalle nek gelegd. De ruwe vezels prikken net zo hard als de zenuwen in zijn lichaam.

‘Zeg mij na: Ik praat nooit meer met vreemden.’

‘Ik… ik praat nooit…’ Zijn stem klinkt als door watten gesmoord. ‘nooit meer met, met vreemden…’

‘Harder, sukkel. Harder!’ Hij geeft een ruk aan het touw. ‘Schreeuw het maar uit: Ik ga nooit meer met vreemden mee!’

Het strakke touw maakt praten zowat onmogelijk. ‘Ik ga nooit meer met vreemden mee’, piept hij schor.

Hij schrikt als de garagedeur reutelend wordt geopend. Een vrouw. Mama! De tranen biggelen over zijn wangen. Van opluchting.

‘En?’

Waarom blijft ze daar staan? Waarom redt ze hem niet?

‘Ja, ik ben wel klaar met hem.’

Mama loopt met ferme stappen op hem af, kijkt hem aan. ‘Kijk. Dit gebeurt er nou met jongetjes die iedereen vertrouwen.’ Ze kijkt hem doordringend aan. ‘Dan kan je ontvoerd worden. En dat is niet leuk, hè.’ Dan lacht ze, hoog en hard. Ze pakt hem bij de schouders en schudt hem door elkaar. ‘Wie niet luisteren wil, moet maar voelen.’ Ze kijkt hem met een grijns aan. ‘En ik denk dat jij je lesje nu wel hebt geleerd.’ Dan richt ze zich tot de man. ‘Dank je, ik neem hem weer mee naar huis.’

Buiten opent ze het portier van haar Fiatje en duwt hem op de achterbank. Zelf neemt ze plaats achter het stuur. ‘Goed bedacht hè, van mama. Net diefje spelen, maar dan echt. En veel leerzamer.’ Weer die lach. ‘Nou, ik weet zeker dat je het voortaan wel uit je hoofd laat.’ Haar ogen kijken hem aan in de achteruitkijkspiegel.

Hij kijkt terug, de waanzin flikkert in zijn ogen. Ja, leerzaam was het zeker. Zijn vingers tasten op zijn rug, vinden wat hij zoekt. ‘Nee mama, ik zal nooit meer iemand vertrouwen. Dat beloof ik je, mama.’


Geschreven voor: schrijfwedstrijd Nederland Schrijft, thema: waanzin (april 2015)

Toerist
Mijn eerste liefde

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *