Naaldenveld

‘En? Kom jij ook volgende week naar onze speciale opkomst? Op het Naaldenveld, je weet wel, waar we voor de zomer ook eens bij elkaar zijn gekomen’. Het Naaldenveld. Ja. Dat weten we nog wel, ja. Al brengt die naam bij mij een hele andere associatie teweeg als bij mijn dochter. In haar ogen zie ik voorpret, de herinnering aan broodjes bakken boven het vuur, spelletjes tussen de bomen, lol met haar vriendinnen van de scouting. Terwijl het enige waar ik aan kan denken is of ik het deze keer wél ga vinden…

Nou moet je weten dat ik geen vreemde ben in deze omgeving. Geboren en getogen in Haarlem, op een steenworp afstand van mijn huidige woonplek, in het huis waar mijn ouders nu nog steeds wonen. De buurt ken ik dan ook op mijn duimpje, al is het verschil tussen links en rechts en enig gevoel voor richting ook in een bekende omgeving bij mij vaak een afwezige factor. Maar dat terzijde.

Het Naaldenveld dus, in Bloemendaal. Daar ben ik vroeger wel geweest. Ik weet nog dat daar met koninginnedag spelletjes werden georganiseerd voor kinderen. Zaklopen, blikjes werpen, koek happen… spelletjes uit de – toen nog niet – oude doos. Ik zie nog een groot veld voor me, een open vlakte met bomen eromheen. En als mijn man dan ook nog aangeeft dat ‘het Naaldenveld, dat is toch het bos achter de hockeyclub RoodWit?’ kan ik niets anders dan zelfverzekerd in de auto stappen om, samen met mijn zoon, dochterlief naar het Naaldenveld te brengen.

Gelukkig wordt er die dag niet gehockeyd, de parkeerplek bij RoodWit is zo goed als leeg. Helemaal tegen de bosrand parkeer ik mijn auto, zo dichtbij mogelijk. Want zoonlief wil dan wel weten waar zijn zusje de hele middag naartoe gaat, maar langer van huis dan strikt noodzakelijk vindt hij niet nodig. Gedrieën lopen we het bospad op. Op zoek naar het, in mijn geheugen, grote veld tussen de bomen.

‘Zijn we er al bijna, mam?’ Een terechte vraag die ik mezelf ook al in stilte heb gesteld. Want na tien minuten door het bos lopend bekruipt namelijk ook mij het gevoel dat we er al lang hadden moeten zijn. Nog vijf minuten hou ik de schone schijn op met mijn ‘Ik denk het wel, om de volgende hoek ligt het vast’ en dan zijn ze er klaar mee. ‘Jij weet de weg helemaal niet, hè mama.’

Er zit niets anders op dan te beamen dat ze de spijker op zijn kop hebben geslagen. Ik heb werkelijk geen idee waar we zijn. Waar de auto is. Waar ik mijn dochter tien minuten geleden al had moeten afleveren. Teruglopen? Doorlopen? Wat is wijsheid? In plaats van in paniek te raken, schiet ik in de slappe lach. Wat ben ik toch altijd een stomme trut als het om richting en weg vinden gaat. Daar sta ik dan, met mijn kinderen. Als een soort Hans en Grietje heel allenig in het bos. Zonder kiezels die de weg wijzen. ‘Mam. Mam! Mama! Daar loopt iemand! Die kunnen we de weg vragen. Kom, rennen mam!’

Hijgend en puffend bereiken we de man die samen met zijn dochtertje geniet van een tot nu toe rustige boswandeling. ‘Sorry, mag ik wat vragen?’ roep ik zachtjes om hem niet te laten schrikken. ‘Het Naaldenveld? Hahaha, dit hele bos heet het Naaldenveld. Waar precies moet je zijn?’ Met het schaamrood op mijn wangen vertel ik dat mijn dochter ondertussen al een kwartier geleden bij het scoutingterrein had moeten afleveren, dat ik dácht te weten waar dat was en dat mijn auto bij de hockeyclub geparkeerd staat. ‘Oh, da’s een eind hier vandaan. En tja, weet je, je bent er ook lang nog niet. Het bos is best groot. Ik denk dat het nog minstens vijftien minuten lopen is…’

Ik baal van mezelf. En dat gevoel wordt bevestigd als ik naar de kinderen kijk. Het teleurgestelde gezicht van mijn dochter die een deel van de opkomst mist. Het boze gezicht van mijn zoon omdat hij he-le-maal niet van boswandelingen houdt. En zijn nog bozere gezicht als hij zich beseft dat wij samen straks dezelfde weg weer terug moeten lopen naar de auto! Nee, vrienden heb ik vandaag niet gemaakt…

‘Ach, weet je wat? Mijn auto staat hier om de hoek. Ik wil jullie wel even brengen.’ Hoor ik daar een engel praten? Nee, het is die aardige vader met zijn dochtertje. ‘Dat zou wel heel fijn zijn maar dat kan ik toch niet van je vragen. Kijk nou, onze schoenen vies. En je kent ons niet eens…’ Mijn zoon kijkt me doordringend aan, een langgerekt ‘mam’ tussen zijn samengeklemde kaken uitstotend. ‘Nee hoor, geen probleem. Kom maar mee.’

Normaal zou ik mijn kinderen vooral op het hart drukken NIET met vreemde mensen mee te gaan. En zeker NIET bij ze in de auto te stappen. Maar ik kan het NIET opbrengen hier een opvoedkundig voorbeeld te stellen. Gedwee en vooral heel dankbaar lopen we achter hem aan. Vijf minuten later zitten we warm in zijn auto en weer vijf minuten later zet hij ons af bij het scoutingterrein. Nog één zwaai en dan rijdt hij weg. Onze redder in nood. En als ook nog blijkt dat er een veel kortere route terug is naar de auto, zie ik de dag weer zonnig in.

Op de weg terug bel ik mijn man. ‘Ja, met mij. We zijn iets later. Ja, lang verhaal. Vertel ik je zo…’ Dan stoot ik mijn zoon aan. ‘Zie je nou wel? Mama wist best wel waar het was. Alleen niet de goede ingang…’


Blogs automatisch in je mailbox? Laat dan hier je mailadres achter:


 

Lekker uit
Regelpiet

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *