Pitcairn Island; een tropisch stipje in de Grote Oceaan

Met een longboat was ik aan wal gebracht, de reistas tussen mijn voeten was nat geworden van het schuimende zeewater. Welcome to Pitcairn Island, stond er met witte en zwarte verf op het houten boothuis geschreven. Twee bootjes lagen schuin op hun kiel onder het afdakje, de onderste helft groen van de algen. Een man met doorleefde groeven en een ruige baardgroei had me aan land geholpen. Zonder iets te zeggen was hij naar de grote, koperen scheepsbel naast het boothuis gelopen en had een krachtige zwengel aan het touw gegeven. Het schelle geluid, het signaal dat ik was gearriveerd, deed de vogels opschrikken en mijn maag omkeren.

Het leek zo’n avontuurlijk idee, een reis naar een van de meest afgelegen plekken ter wereld. Maar toen ik na een lange vlucht naar de andere kant van de aardbol en een dagenlange tocht over zee voet aan wal zette op het stipje van nog geen vijf vierkante kilometer midden in de Grote Oceaan, voelde ik me een indringer. Wat had me in godsnaam bezield? Wat zocht ik hier tussen 49 wildvreemde eilanders? Ik was toch zeker Floortje Dessing niet…

Ik hield me groot, terwijl ik achter op de quad klom. Het geruite overhemd van Jack, zo heette de zeebonk blijkbaar, wapperde tegen mijn arm aan. Elke keer als de stof mijn huid raakte, overviel me het gevoel van realiteit. Ik was er echt. Ik slikte mijn tranen weg en haalde een paar keer diep adem. Jack zou me naar John en Mascha brengen, het echtpaar dat mij de eerste week onderdak zou verschaffen. Bij gebrek aan toeristen was het nooit nodig geweest een hotel te bouwen.

Waar ik een kleine maand geleden met pijn in mijn buik het vrachtschip waarmee ik was gekomen in de verte had zien vertrekken, krijg ik nu een wee gevoel als datzelfde schip weer aan de horizon verschijnt. Ik kijk verlangend achter me, naar de verharde zandweg die naar de hoofdstad Adamstown leidt waar mijn dierbare vrienden wonen. De bladeren van de palmbomen aan de kant van de weg ruisen licht in de wind. Het herinnert me aan de warme föhn die door mijn haren streek tijdens een van mijn vele wandelingen over het eiland. Nooit alleen. Mascha nam me mee naar de wonderbaarlijke tekens die in de bergwand zijn gekrast, de bewijzen van eerdere beschaving. Met Chris beklom ik meerdere keren de Palawa Valley Ridge, het hoogste punt van het eiland. Het uitzicht benam me keer op keer de adem; het is daar dat het besef pas goed tot me doordrong dat je op Pitcairn op jezelf en de kleine, hechte gemeenschap bent aangewezen. Het gevoel niet weg te kunnen maakte me claustrofobisch en vrij tegelijk.

Bij het graf van John Adams en zijn vrouw en dochter keek ik mijn gids van die dag Evan aan. Zijn zachte, vriendelijke lach deed me in niets denken aan zijn voorouders, de gewelddadige Bounty-muiters die hun hand niet omdraaiden voor verkrachting en moord, die het eiland in 1790 als toevluchtsoord hadden ingenomen.

De groentes op tafel die je zelf die ochtend van het land had afgehaald. De vaardige vingers die prachtige manden vlochten en ambachtelijke houten beelden sneden. De lome avonden gevuld met diepe, warme gesprekken. Mijn oudste vriendin Ms. T, een 150 jaar oude schildpad. De weeïge, zoete geur van bloemen. Het geluid van stilte. De eenvoud van het leven…

Pitcairn Island, mijn Bounty-island, het is een beetje in mijn hart gaan zitten.


Schrijfkring, maart 2017

Opdracht: schrijf een reisverhaal over Pitcairn.

Alles onder controle
Korte biografie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *