Bosje spijt

Daar ligt ze. Op de ruime tweezitter in de woonkamer. Twee dikke kussens in de rug. De leren Zweedse sloffen piepen net onder het rood-en-blauw geruiten fleece dekentje uit. Vanuit het rimpelige gezicht, groen, geel en blauw van de val, staren twee donkere ogen Sarah aan. Met knikkende knieën komt ze dichterbij, de bos bloemen tegen haar lichaam gedrukt. Ze heeft ze zojuist gekocht bij bloemenstal Carola op het station die gerund wordt door een grote, langharige Viking.

‘Jij hebt óf een feestje te vieren óf iets heel erg goed te maken’, lachte ‘Carola’ toen ze de bloemen afrekende. Snel had Sarah het wisselgeld aangepakt en de bloemen van hem overgenomen. ‘Zoiets ja…’ Daarna had ze – de voeten met tegenzin verzwaard op de pedalen en met één hand de bloemen in het oranje krat stuttend – wiebelend en wankelend uiteindelijk haar weg gevonden naar het opgegeven adres.

De doordringende geur van de witte lelies prikt in haar neus. Haar handen trillen, het doorzichtige cellofaan verbreekt oorverdovend de ijzige stilte. ’Alstublieft, mevrouw Beekman, bloemen. Voor u. En mijn excuses, het spijt me echt heel…’

Abrupt zwaait mevrouw Beekman haar arm door de lucht, alsof ze een groep luidruchtige tieners de mond wil snoeren. Ze snuift hooghartig. ‘Wat wil je dat ik doe met die ene arm, die bos van je overnemen?’

Verschrikt blijft Sarah staan.

‘Geef ze maar aan mij, Sarah. Dan zet ik ze wel even in een vaas.’ Dankbaar draait Sarah zich om. Meneer Beekman pakt de bloemen van haar over en geeft haar een bemoedigende knipoog. Daarna sloft hij langzaam en hardop mompelend de keuken in. ‘Hoorde je dat, Gerda? Ze zei sorry tegen je’.

Het liefst zou ze achter de oude baas de keuken in zijn gelopen maar beleefdheid houdt haar op haar plaats. ’Hoe gaat het met u?’

‘Ik was er zo trots op, weet je. Mijn leeftijd en dan al je tanden nog hebben. Maar kijk nou eens…’ Ze trekt haar gezicht in een pijnlijke grimas en laat haar smalle lippen wijken zodat er een donker gat zichtbaar wordt. ‘Dat wordt een kunstgebit. Of toch minstens een implantaat.’ De bank kraakt als ze haar goede arm op de zitting plaatst en zich moeizaam overeind hijst. ‘En dan die arm. Hoe kan ik mijn man nou helpen bij de verhuizing? Ik kan zo toch geen dozen inpakken. Met geen mogelijkheid. Weet je waarom we in het winkelcentrum waren? Nou? Om gordijnen uit te zoeken voor ons nieuwe appartement. Nog een geluk dat we op de vierde etage komen te wonen, daar hebben we niet zoveel last van inkijk. Ik laat hem toch niet alleen gordijnen uitzoeken?’ Nors kijkt ze in de richting van de keuken.

‘Misschien dat ik u ergens mee kan helpen, dan…’

Zonder acht te slaan op Sarah wrijft mevrouw Beekman demonstratief met de vingers van haar goede arm over de gekleurde rimpels onder haar ogen. ‘Ziet er ook niet uit, vind je niet? Helemaal bont en blauw. Mooi dat ik daar niet mee over straat ga.’ Peinzend staart ze voor zich uit. Dan ineens kijkt ze op, recht in de ogen van Sarah. ‘En, wat vind je er van? Ben je er trots op? Want daarom ben je gekomen, toch? Om te zien wat je hebt aangericht. Nou, kijk maar goed.’

Geschrokken kijkt Sarah even op naar de vinnige dame op de bank en richt haar ogen dan weer op haar eigen voeten. Had ze toen maar wat beter gekeken. In gedachten ziet ze weer hoe ze achteruit het parkeervak uitreed. De doos met daarin de nieuwe stofzuiger schoof in de achterbak met een harde dreun tegen de achterklep aan. Althans, dat dacht ze. Toen ze wegreed, zag ze in haar achteruitkijkspiegel een oudere man achter de auto aanrennen, driftig met zijn armen zwaaiend. Ze was gestopt. Uitgestapt. Had onthutst naar het in een beige regenjas gehulde hoopje mens op de grond gestaard. De politie was erbij gekomen, een ambulance. Ze voelt nog hoe haar hele lichaam trilde toen ze uiteindelijk het parkeerterrein af reed. Ze schudt langzaam haar hoofd. ’Ik heb u echt niet gezien…’ Haar mond is kurkdroog.

‘Laat me raden. Het was de auto van je man, hè, waar je in reed. En daar ben je niet aan gewend, want die is veel groter dat het koekblikje waar je zelf altijd in rijdt.’ Mevrouw Beekman kijkt haar strak aan. ‘Ik heb het altijd al gezegd. Die vrouwen in die dikke auto’s van hun man, dat kan niet goed gaan. Daar komen ongelukken van. Nou, hier ligt het bewijs. Het bij gratie Gods nog levende bewijs! Heb ik gelijk of niet.’

‘Het was mijn eigen auto…’

Met een ruk veert mevrouw Beekman overeind. ‘Een gevaar op de weg, dát ben je.’ Spuug spettert over haar mitella. Ze priemt met haar wijsvinger richting Eva. ’Ik mag toch hopen dat die agent je rijbewijs heeft ingenomen.’

Sarah kijkt naar haar handen. Onbewust heeft ze het velletje van haar linker middelvinger tot bloedens toe eraf getrokken. Het doet pijn. Voorzichtig veegt ze de rode druppel met de duim van haar rechterhand weg en wrijft het uit over haar wijsvinger. Wat moet ze zeggen? Dat ze sinds het ongeluk de auto niet meer heeft aangeraakt? Dat ze door weer en wind op de fiets overal naartoe rijdt terwijl de auto voor de deur staat geparkeerd? Dat de reistijd naar haar werk is verdubbeld omdat ze niet meer achter het stuur durft? Ze zwijgt.

‘Zeg Sarah, zou je mij even kunnen helpen? De vazen staan hoog en ik moet op mijn leeftijd maar niet meer op een krukje gaan staan.’

Sarah kijkt schuldbewust naar mevrouw Beekman. Die haalt hooghartig haar schouders op en wuift Sarah, strak de andere kant uitkijkend, met losse pols weg.

De bloemen liggen op het aanrecht, ontdaan van het cellofaan. Naast een hoge vaas. ‘Neem het haar vooral niet kwalijk. Ze heeft het er erg moeilijk mee maar ze draait wel weer bij hoor.’ Hij ziet Sarah verbaasd naar de vaas kijken en glimlacht. ’De vaas staat daarboven, kan jij ‘m voor me pakken?’ Daarna, zachter: ‘Ik vond dat ze je wel genoeg heeft aangepakt.’

‘Zal ik ze voor u in het water zetten?’ Zonder op zijn antwoord te wachten, pakt Sarah de vaas, loopt ermee naar de wasbak en zet de kraan aan.

‘We gaan niet ver weg, hoor. Die flat hier om de hoek, ken je die? Daar gaan we naar toe. Dit is veel te groot voor ons tweetjes.’ Hij sloft naar haar toe met de bloemen in zijn handen. ‘Mooie bos hoor. Ze houdt van lelies.’

Zwijgend neemt Sarah de bloemen van hem over. Schuin afsnijden, had de Viking gezegd. Ze kijkt om zich heen. ‘Heeft u misschien een schaar? Of een mesje?’

‘We hebben hulp bij het verhuizen. De kinderen, die komen er speciaal voor over. Met de kleinkinderen, dan kunnen die hun oma een beetje afleiden.’ Even pakt hij haar bovenarm vast, knijpt er twee keer zacht in. Dan laat hij zijn arm weer langs zijn lichaam vallen. ’En die gordijnen, die komen wel. Ach, meissie, zet ze nou maar gewoon in het water. Kom, dan nemen we ze mee naar de kamer. Het is goed zo.’

Het is gaan regenen. Sarah kijkt op naar de donkere lucht en laat de druppels haar verhitte wangen afkoelen. Dat ze tegen iemand is aangereden, vindt ze nog steeds verschrikkelijk. Maar mevrouw Beekman… Nee. Ze schudt haar hoofd. Nee, zo mag ze niet denken. Dan stapt ze op de fiets. Tegen de tijd dat ze thuis is, is ze vast doorweekt. Nu maakt het haar niets uit. Maar morgen, denkt ze, misschien dat ik morgen toch weer de auto pak…

Rojvan's eerste Sint Maarten
De oppas

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *